Het bestuur van het Productschap Zuivel;
Gelet op de artikelen 93, 95, 104 en 106 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en op de artikelen 3, 5, 6 en 7 van de Instellingsverordening Produktschap Zuivel;
Besluit:
Deze verordening verstaat onder:
|
a. |
productschap |
: |
Productschap Zuivel; |
|
b. |
bestuur |
: |
bestuur van het productschap |
|
c. |
voorzitter |
: |
voorzitter van het productschap; |
|
d. |
ondernemer |
: |
de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld; |
|
e. |
gewasbeschermingsmiddelen |
: |
gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, op de verpakking waarvan de vermelding voorkomt "Deze verpakking is bedrijfsafval, mits deze is schoongespoeld zoals wettelijk is voorgeschreven". |
De ondernemer, die gewasbeschermingsmiddelen toepast, dient te beschikken over apparatuur, welke voldoet aan de voorschriften, opgenomen in de bijlage, dan wel over apparatuur, welke voldoet aan de specificaties, als waaraan een typegoedkeuring is gegeven door de in de voornoemde bijlage genoemde instantie.
De ondernemer, die gewasbeschermingsmiddelen toepast, is verplicht de verpakking daarvan, onmiddellijk en aansluitend op de lediging ervan in de spuitapparatuur, te reinigen met de apparatuur, als bedoeld in het eerste lid, en volgens de methode, genoemd in de bijlage.
Het is de ondernemer verboden een of meer ledige verpakkingen van gewasbeschermingsmiddelen aanwezig te hebben, welke meer dan 0,01% van het gewicht van het middel, oorspronkelijk aanwezig in de verpakking, bevat.
Van de verplichtingen, genoemd in het eerste en tweede lid, kan worden afgeweken ingeval gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast door middel van hand- of rugspuitapparatuur met een tankinhoud van ten hoogste 21 liter, mits de in de bijlage voorgeschreven reinigingsmethode wordt gevolgd en onverminderd het bepaalde in het derde lid.
Met de in artikel 2 bedoelde apparatuur wordt gelijkgesteld apparatuur die rechtmatig is geproduceerd of in de handel is gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel is geproduceerd in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die ten minste aan gelijkwaardige eisen voldoet.
Met de in artikel 2 bedoelde typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een typegoedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke goedkeuring is afgegeven op basis van onderzoekingen die tenminste aan gelijkwaardige eisen voldoen.
Het bestuur kan bij besluit vrijstelling verlenen van een of meer bepalingen uit deze verordening en daarbij nadere voorschriften vaststellen.
Het bestuur kan bij besluit het gestelde in de bijlage wijzigen, totdat bij verordening tot wijziging van de betreffende bijlage daarin is voorzien. Alsdan wordt het betreffende besluit geacht te zijn ingetrokken.
Een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt bekendgemaakt in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en treedt in werking met ingang van de tweede dag na die van bekendmaking, tenzij het betreffende besluit anders bepaalt.
De voorzitter is namens het bestuur bevoegd op schriftelijk verzoek van de ondernemer ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 2 en 3 en daarbij nadere voorschriften vast te stellen.
Het bepaalde bij of krachtens deze verordening, waarbij aan ondernemers verplichtingen worden opgelegd, is mede bindend voor andere natuurlijke en rechtspersonen, voor zover deze handelingen verrichten die bedrijfsmatig in ondernemingen plegen te worden verricht.
Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt een tuchtrechtelijke maatregel gesteld.
De tuchtrechtelijke maatregel is een geldboete van ten hoogste € 4.500.
Voor deze verordening is het bevoegde tuchtgerecht het tuchtgerecht van het Hoofdproductschap Akkerbouw.
De Zuivelverordening 1998, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen wordt ingetrokken.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Deze verordening wordt aangehaald als Zuivelverordening 2003, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen.
Zoetermeer, 16 april 2003
G.A. Koopstra
Voorzitter
F. Beekman
secretaris
Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 12 juni 2003 en door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij beschikking van 23 mei 2003, nr. TRCJZ/2003/3737.
Laatstelijk gewijzigd bij Verordening tot wijziging (1) van de Zuivelverordening 2003, Reiniging verpakkingen bij gewasbeschermingsmiddelen (Vb. Bo. 29 december 2003, nr. 78).
A. Voorschriften terzake van apparatuur en methode als bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid
de spuitapparatuur, waarmede de gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, dient te zijn voorzien van een spoeltrechter met spoelkop op of nabij de vloeistoftank, alsmede van een (demontabel) spanframe (openhouder);
De spoeltrechter dient een diameter te hebben van tenminste 400 mm, ingeval
deze rond van vorm is, c.q. dient zijden te hebben van tenminste 400 mm, ingeval
deze rechthoekig van vorm is. De onderuitloop hiervan eindigt in de
vloeistoftank of in de aanzuigleiding van de spuitpomp.
Bij een gecombineerd gebruik van de spoeltrechter als vultrechter moet de
doorlaat van de trechteruitloop een opening hebben van tenminste 40 mm, teneinde
de afstort van het spuitpoeder probleemloos te kunnen verwerken.
De spoelkop van de spoelinstallatie dient tenminste 35 boringen te bevatten, zodanig verdeeld over de omtrek van de spoelkop, dat een totale spreidingshoek van 240° of meer wordt bereikt.
Bij een waterdruk op de leiding voor de spoelkop van 5 bar dient ca. 25 liter water per minuut door de boringen gelijkmatig verdeeld over de omtrek van de spoelkop te kunnen worden verspoten.
De spoelkop is ongeveer centraal geplaatst in de spoeltrechter.
De diameter van de spoelkop mag niet groter zijn dan 35 mm. De aanvoerleiding naar de spoelkop mag geen grotere buitendiameter hebben dan 16 mm. De aanvoerleiding naar de spoelkop dient te worden voorzien van een hand- of voetbediende afsluiter. De pompdruk ter plaatse van de spoelkop dient minimaal 3 bar en maximaal 5 bar te zijn.
Ingeval voor het vullen van mobiele spuitapparatuur permanent gebruik gemaakt wordt van een centrale vulplaats, behoeft de mobiele spuitapparatuur niet te voldoen aan de in het eerste lid gestelde eisen, mits de centrale vulapparatuur voldoet aan die eisen en mits de mobiele spuitapparatuur uitsluitend met behulp van deze centrale vulapparatuur wordt gevuld.
apparatuur, die afwijkt van de hiervoor in het eerste lid gestelde eisen, dient te voldoen aan de specificaties die tijdens een typegoedkeuring zijn vastgesteld;
de typegoedkeuring zal uitsluitend worden verleend indien is vastgesteld dat de afwijkende apparatuur tenminste dezelfde goede werking heeft als de apparatuur die voldoet aan de hiervoor in het eerste lid gestelde eisen;
typegoedkeuring zal uitsluitend kunnen worden verleend door het IMAG te Wageningen.
verpakkingen, bestaande uit zakken, dienen te worden gespoeld met gebruikmaking van het spanframe dat is geplaatst om de opstekende spoelkop;
andere verpakkingen dienen tijdens het spoelen met de opening naar beneden gericht te worden geplaatst over de opstekende spoelkop;
er dient te worden gespoeld met schoon water, onvermengd met gewasbeschermingsmiddelen.
Bij een spoeldruk van 3 tot 5 bar dient tenminste 30 seconden te worden gespoeld. Het spoelwater mag uitsluitend in de vloeistoftank terechtkomen.
B. Voorschriften terzake van de methode bedoeld in artikel 2, vierde lid
De verpakking dient enkele malen te worden omgespoeld met schoon leidingwater, waarna het spoelwater in de vloeistoftank van de spuitapparatuur dient te worden gedeponeerd.
Overeenkomstig het overgangsrecht van de laatste wijziging (1999) van de Wet op de bedrijfsorganisatie (artikel XIV onderdeel 3 van de wet van 3 april 1999, Stb. 263) komt de thans bestaande Zuivelverordening 1998, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen uiterlijk 1 juli 2003 te vervallen. Aangezien de noodzaak voor een dergelijke verordening is blijven bestaan, dient een nieuwe verordening te worden vastgesteld. De verordening is inhoudelijk niet gewijzigd.
Het doel van de regeling is het voorkomen van de belasting van het milieu met restanten van gewasbeschermingsmiddelen uit "lege" verpakkingen. Er is een reinigingsplicht van deze verpakkingen en tevens is er de plicht om verpakkingen met restanten te verwijderen van het bedrijf.
Verder worden er eisen gesteld aan de reinigingsapparatuur en aan de wijze waarop de reiniging moet plaatsvinden.
Het productschap is als publiekrechtelijke organisatie ingesteld voor alle ondernemingen in de melkveehouderij. Alle ondernemingen dienen zich te houden aan de regels omtrent de reiniging van verpakkingen.
Zonder algemeen verplichtende regelgeving zouden niet alle ondernemers zelf voldoende aandacht besteden aan de beperking van de milieubelasting. De sector wil op deze wijze maatschappelijk verantwoord bezig zijn.
Om te bewerkstelligen dat de gehele sector zich aan de verplichtingen (zoals opgenomen in de publieke regelgeving) houdt, is het niet mogelijk door middel van bijvoorbeeld private afspraken tot een zelfde resultaat te komen. Het algemeen verplichtende karakter van publieke regelgeving geniet de voorkeur boven het vrijwillige karakter van private afspraken. Voor het welslagen van de doelstellingen is het namelijk vereist dat de verplichtingen algemeen worden nageleefd.
Overtredingen van de verbodsbepalingen van deze verordening worden strafrechtelijk gehandhaafd. Op grond van artikel 104, eerste lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, zoals dat bij K.B. (Stb. 2002, 642) in werking is getreden per 1 januari 2003 ligt het primaat voor de handhaving bij tuchtrechtelijke maatregelen Het voornemen bestaat om tot tuchtrechtelijke handhaving over te gaan als de nieuwe Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie in werking treedt.
De betrokken ondernemers dienen reinigingsapparatuur aan te schaffen, die normaal gesproken tot de standaard bedrijfsuitrusting behoort.
Het bestuur is bevoegd vrijstelling te verlenen. Een dergelijke vrijstelling zal alleen in zeer bijzondere omstandigheden verleend worden. Hierbij valt te denken aan natuurrampen of epidemieën.
De voorzitter is namens het bestuur bevoegd ontheffing te verlenen van het in de artikelen 2 en 3 bepaalde. De omstandigheden waaronder ontheffing verleend kan worden betreffen bijzondere omstandigheden. Een ontheffing wordt bij grote uitzondering verleend, bijvoorbeeld indien de bedrijfsvoering zodanig belemmerd wordt dat de continuïteit van het bedrijf in gevaar komt.
De voorwaarden voor ontheffing zien erop toe dat de uitvoering van de verordening zoveel mogelijk gehandhaafd blijft. Een ontheffing betreft een beperkte periode.
De Zuivelverordening 1998, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen is gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).
Aangezien onderhavige erordening geen inhoudelijke wijzigingen kent is in overleg met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij besloten de nieuwe verordening niet opnieuw te melden.
Zoetermeer, 16 april 2003
G.A. Koopstra
voorzitter
F. Beekman
secretaris
Bovenstaande wijziging van de Zuivelverordening 2003, Reiniging verpakkingen gewasbeschermingsmiddelen beoogt handhaving van de verordening door tuchtrecht te regelen.
Op grond van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, zoals dat bij KB (Stb 2002, 642) in werking is getreden per 1 januari 2003, worden overtredingen van het in deze verordening bepaalde tuchtrechtelijk gehandhaafd. Op basis van berechtingsrapporten van de door het bestuur bij besluit aangewezen toezichthouder(s) worden door de voorzitter zaken aanhangig gemaakt bij het bevoegde tuchtgerecht.
Aangezien het in deze verordening geregelde onderwerp van gemeenschappelijk betekenis is voor het Hoofdproductschap Akkerbouw en het Productschap Zuivel wordt het tuchtgerecht van het Hoofdproductschap Akkerbouw als het bevoegde tuchtgerecht aangewezen.
Deze verordening treedt in werking op het tijdstip dat de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2000 in werking treedt.
Zoetermeer, 12 november 2003
G.A. Koopstra
voorzitter