Het bestuur van het Productschap Zuivel;
Gelet op artikel 97 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en de artikelen 73, 74 en 128 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;
Besluit:
In deze verordening wordt de terminologie gebezigd van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk.
De artikelen 4, 5 en 6 van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk zijn van overeenkomstige toepassing.
Het productschap stelt per kalenderjaar per melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast op basis van de in het tweede lid genoemde berekening. De betrokken gegevens worden vóór 1 maart aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kenbaar gemaakt.
Het ureumgehalte als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.
Deze verordening wordt aangehaald als Zuivelverordening 2005, Bepaling ureumgehalte van boerderijmelk.
Zoetermeer, 21 september 2005
G.A. Koopstra
voorzitter
F. Beekman
secretaris
Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van TRCJ2/2005/2885 d.d. 31 januari 2006 Vb BO 17 februari 2006, nr. 10)
Met ingang van 1 januari 2006 zal in het kader van de Meststoffenwet het stelsel
van regulerende mineralenheffingen worden vervangen door het
gebruiksnormenstelsel. De hoeveelheid door melkvee geproduceerde dierlijke
meststoffen wordt mede bepaald op basis van de gemiddelde melkproductie per dier
en het (gewogen) gemiddelde ureumgehalte van de geproduceerde melk. Met het oog
op een zo beperkt mogelijke administratieve lastendruk, is het streven om bij de
uitvoering van deze wet zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande gegevens.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in het kader van de
Meststoffenwet van het productschap medebewind gevorderd voor het inwinnen van
gegevens over de melkproductie (vanuit de superheffingsregeling) en de bepaling
van het ureumgehalte van melk. Vaststelling van het ureumgehalte van
boerderijmelk vindt thans op privaatrechtelijke grondslag plaats. Het
ureumgehalte wordt tot dusverre door melkveehouders gebruikt als
managementinstrument.
Artikel 74, derde lid, jo. artikel 117 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet bepaalt dat het gemiddelde ureumgehalte wordt vastgesteld door het Productschap Zuivel. De onderhavige verordening strekt hiertoe.
Ingevolge artikel 74 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn ontvangers van boerderijmelk die jaarlijks maximaal 500.000 kg melk ontvangen en verwerken van de bepaling van het ureumgehalte uitgezonderd. Voor melkveehouders die hun melk aan deze ontvangers leveren geldt een forfaitair gemiddeld ureumgehalte (artikel 74, vijfde lid). Ook voor boerderijzuivelbereiders die minder dan 50% van de door hen geproduceerde melk leveren aan een ontvanger van melk, geldt ingevolge artikel 74, vierde lid, een forfaitair gemiddeld ureumgehalte. Voor boerderijzuivelbereiders die meer dan 50% van de door hen geproduceerde melk leveren aan een ontvanger van melk geldt ingevolge artikel 73, vierde lid, het gemiddelde ureumgehalte van de geleverde melk als representatief voor alle geproduceerde melk.
In de verordening wordt voor de te volgen werkwijze voor de monsterneming en het monsteronderzoek aansluiting gezocht bij het stelsel voor de uitbetaling van boerderijmelk, zoals dat is neergelegd in Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk. Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk wordt tuchtrechtelijk gehandhaafd. Ten aanzien van overtreding van het bepaalde in de onderhavige medebewindsverordening geldt echter niet het tuchtrecht van het productschap, maar het stelsel van de Meststoffenwet (handhaving door middel van bestuurlijke boetes en strafrecht).
Voor de in deze verordening gebruikte terminologie is aansluiting gezocht bij de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk. De artikelen 4, 5 en 6 van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk regelen het nemen van een representatief monster van de leveranties van boerderijmelk. Van iedere leverantie dient een monster te worden genomen. Nadere bepalingen voor het nemen, transporteren en bewaren van de monsters zijn neergelegd in Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk.
Artikel 3, eerste lid, regelt dat de ontvanger van boerderijmelk van elk monster het ureumgehalte bepaalt of laat vaststellen. Ingevolge artikel 12 van Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk dient de vaststelling plaats te vinden door een melkcontrolestation dat is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000.
Voor een goede uitvoering van het onderzoek is het van belang dat het betrokken melkcontrolestation in staat is het onderzoek op een deskundige wijze te verrichten. Bovendien moeten de uitslagen van het onderzoek op een toegankelijke en overzichtelijke wijze worden vastgelegd met het oog op het toezicht.
Het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat het ureumgehalte wordt vastgesteld volgens methode NEN-ISO 14637:2004 als referentiemethode. Als gevolg van de vrije bewijsleer die geldt voor deze bestuursrechtelijk en strafrechtelijk gehandhaafde verordening kunnen ook andere gevalideerde methoden worden toegepast met dien verstande dat het resultaat niet wezenlijk afwijkt van het resultaat volgens de genoemde referentiemethode.
Het derde lid van artikel 3 bepaalt dat de ontvangers van boerderijmelk aan het einde van het kalenderjaar per melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte berekenen. De betrokken gegevens (het berekende gemiddelde ureumgehalte en de aan de berekening ten grondslag liggende hoeveelheid geleverde melk) worden aan het productschap verstrekt.
Het productschap stelt van iedere melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast en geeft dit door aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de vaststelling van de gebruiksnormen.
Zoetermeer, 21 september 2005
G.A. Koopstra
voorzitter
F. Beekman
secretaris