Verordening van het Productschap Zuivel van 21 september 2005 houdende regels omtrent de vaststelling van het ureumgehalte van boerderijmelk (Zuivelverordening 2005, Vaststelling ureumgehalte van boerderijmelk)

Het bestuur van het Productschap Zuivel;

Gelet op artikel 97 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, artikel 72 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en de artikelen 73, 74 en 128 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

Besluit:

Artikel 1

In deze verordening wordt de terminologie gebezigd van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk.

Artikel 2

De artikelen 4, 5 en 6 van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

  1. De ontvanger van boerderijmelk draagt er zorg voor dat van elk monster boerderijmelk het ureumgehalte wordt vastgesteld door een melkcontrolestation als bedoeld in artikel 12 van Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk.
  2. Voor de vaststelling van het ureumgehalte geldt de methode volgens NEN-ISO 14637:2004 als referentiemethode.
  3. De ontvanger van boerderijmelk berekent per kalenderjaar per melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte van de leveranties van boerderijmelk op basis van de in het eerste lid genoemde vaststellingen en levert de betrokken gegevens aan het productschap vóór 1 februari van het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 4

Het productschap stelt per kalenderjaar per melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast op basis van de in het tweede lid genoemde berekening. De betrokken gegevens worden vóór 1 maart aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kenbaar gemaakt.

Artikel 5

Het ureumgehalte als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt uitgedrukt in milligrammen ureum per 100 gram melk, waarbij de verkregen waarden worden afgerond op hele getallen.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2006.

Artikel 7

Deze verordening wordt aangehaald als Zuivelverordening 2005, Bepaling ureumgehalte van boerderijmelk.

Zoetermeer, 21 september 2005

G.A. Koopstra
voorzitter

F. Beekman
secretaris

Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van TRCJ2/2005/2885 d.d. 31 januari 2006 Vb BO 17 februari 2006, nr. 10)

TOELICHTING

Algemeen

Met ingang van 1 januari 2006 zal in het kader van de Meststoffenwet het stelsel van regulerende mineralenheffingen worden vervangen door het gebruiksnormenstelsel. De hoeveelheid door melkvee geproduceerde dierlijke meststoffen wordt mede bepaald op basis van de gemiddelde melkproductie per dier en het (gewogen) gemiddelde ureumgehalte van de geproduceerde melk. Met het oog op een zo beperkt mogelijke administratieve lastendruk, is het streven om bij de uitvoering van deze wet zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande gegevens.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft in het kader van de Meststoffenwet van het productschap medebewind gevorderd voor het inwinnen van gegevens over de melkproductie (vanuit de superheffingsregeling) en de bepaling van het ureumgehalte van melk. Vaststelling van het ureumgehalte van boerderijmelk vindt thans op privaatrechtelijke grondslag plaats. Het ureumgehalte wordt tot dusverre door melkveehouders gebruikt als managementinstrument.

Artikel 74, derde lid, jo. artikel 117 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet bepaalt dat het gemiddelde ureumgehalte wordt vastgesteld door het Productschap Zuivel. De onderhavige verordening strekt hiertoe.

Ingevolge artikel 74 van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet zijn ontvangers van boerderijmelk die jaarlijks maximaal 500.000 kg melk ontvangen en verwerken van de bepaling van het ureumgehalte uitgezonderd. Voor melkveehouders die hun melk aan deze ontvangers leveren geldt een forfaitair gemiddeld ureumgehalte (artikel 74, vijfde lid). Ook voor boerderijzuivelbereiders die minder dan 50% van de door hen geproduceerde melk leveren aan een ontvanger van melk, geldt ingevolge artikel 74, vierde lid, een forfaitair gemiddeld ureumgehalte. Voor boerderijzuivelbereiders die meer dan 50% van de door hen geproduceerde melk leveren aan een ontvanger van melk geldt ingevolge artikel 73, vierde lid, het gemiddelde ureumgehalte van de geleverde melk als representatief voor alle geproduceerde melk.

In de verordening wordt voor de te volgen werkwijze voor de monsterneming en het monsteronderzoek aansluiting gezocht bij het stelsel voor de uitbetaling van boerderijmelk, zoals dat is neergelegd in Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk. Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk wordt tuchtrechtelijk gehandhaafd. Ten aanzien van overtreding van het bepaalde in de onderhavige medebewindsverordening geldt echter niet het tuchtrecht van het productschap, maar het stelsel van de Meststoffenwet (handhaving door middel van bestuurlijke boetes en strafrecht).

Artikelsgewijze toelichting

Artikelen 1 en 2

Voor de in deze verordening gebruikte terminologie is aansluiting gezocht bij de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk. De artikelen 4, 5 en 6 van de Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk regelen het nemen van een representatief monster van de leveranties van boerderijmelk. Van iedere leverantie dient een monster te worden genomen. Nadere bepalingen voor het nemen, transporteren en bewaren van de monsters zijn neergelegd in Zuivelverordening 2000, Handmatig nemen, transporteren en bewaren van monsters boerderijmelk.

Artikel 3

Artikel 3, eerste lid, regelt dat de ontvanger van boerderijmelk van elk monster het ureumgehalte bepaalt of laat vaststellen. Ingevolge artikel 12 van Zuivelverordening 2005, Grondslag uitbetaling boerderijmelk dient de vaststelling plaats te vinden door een melkcontrolestation dat is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000.

Voor een goede uitvoering van het onderzoek is het van belang dat het betrokken melkcontrolestation in staat is het onderzoek op een deskundige wijze te verrichten. Bovendien moeten de uitslagen van het onderzoek op een toegankelijke en overzichtelijke wijze worden vastgelegd met het oog op het toezicht.

Het tweede lid van artikel 3 bepaalt dat het ureumgehalte wordt vastgesteld volgens methode NEN-ISO 14637:2004 als referentiemethode. Als gevolg van de vrije bewijsleer die geldt voor deze bestuursrechtelijk en strafrechtelijk gehandhaafde verordening kunnen ook andere gevalideerde methoden worden toegepast met dien verstande dat het resultaat niet wezenlijk afwijkt van het resultaat volgens de genoemde referentiemethode.

Het derde lid van artikel 3 bepaalt dat de ontvangers van boerderijmelk aan het einde van het kalenderjaar per melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte berekenen. De betrokken gegevens (het berekende gemiddelde ureumgehalte en de aan de berekening ten grondslag liggende hoeveelheid geleverde melk) worden aan het productschap verstrekt.

Artikel 4

Het productschap stelt van iedere melkveehouder het gewogen gemiddelde ureumgehalte vast en geeft dit door aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor de vaststelling van de gebruiksnormen.

Zoetermeer, 21 september 2005

G.A. Koopstra
voorzitter

F. Beekman
secretaris